Veel leraren, schoolleiders en ouders geloven nog steeds dat vernieuwend onderwijs al snel “niet mag van de inspectie”. Denk aan het loslaten van het leerstofjaarklassensysteem, teamteaching, flexibele roosters, andere manieren van toetsen of werken met leerdoelen in plaats van methodes. Maar die overtuiging klopt vaak niet.
In deze notitie laat Jos de Mulder zien hoe het écht zit: de wet schrijft verrassend weinig voor over de manier waarop scholen onderwijs moeten organiseren. De meeste regels gaan vooral over randvoorwaarden zoals onderwijstijd, veiligheid, basisvaardigheden, kerndoelen en examens. Over de echte “hoe-vraag” – didactiek, pedagogiek, organisatievormen en leerprocessen – bestaat juist veel ruimte.
De inspectie controleert vooral of scholen voldoen aan de deugdelijkheidseisen: een minimale basiskwaliteit en een goed ingericht kwaliteitsbeleid. Maar opvallend genoeg verwacht de inspectie óók dat besturen en scholen eigen ambities formuleren en laten zien hoe ze die waarmaken. Met andere woorden: alleen “de regels volgen” is niet genoeg.
De notitie maakt duidelijk dat scholen veel vrijheid hebben om onderwijs anders in te richten, zolang zij hun keuzes kunnen onderbouwen en de ontwikkeling van leerlingen goed volgen. Sterker nog: het argument “dat mag niet” wordt regelmatig gebruikt om vast te houden aan traditionele structuren die nergens letterlijk verplicht zijn – zoals jaarklassen en standaard methodisch onderwijs.
De conclusie is helder: ontwikkelingsgericht en vernieuwend onderwijs wordt door de wet niet tegengehouden. De ruimte is er al. De echte uitdaging zit in visie, onderbouwing en kwaliteitszorg.
Wie deze notitie leest, krijgt niet alleen inzicht in de wet- en regelgeving, maar vooral ook een stevig antwoord op de vraag: wat kan er wél – en waarom?